Lamentaties - Supertrio uit de Renaissance

20.15 uur, vrijdag 8 april 2011
Teresia van Avilakerk, Westeinde 12a, 2512 HD Den Haag (kaart)

16.00 uur, zondag 10 april 2011
Eendrachtskerk, Eendrachtsstraat 95, Rotterdam (kaart).

Entree: €10

Waarom zou een componist een vrolijk onderwerp kiezen in plaats van een treurig? Die vraag is niet zo gemakkelijk te beantwoorden, anders dan emotioneel (treurige muziek is veel mooier dan vrolijke). Laten we daarom op de feiten afgaan. Tragiek levert veel meer materiaal op dan vreugde. Dat geldt niet alleen voor het nieuws, ook voor muziek. Goed nieuws is geen nieuws. Vrolijke muziek is geen muziek, dat gaat misschien een beetje ver.

Je kunt Johann Sebastian Bach veel verwijten, maar niet dat hij kort van stof was of dat het hem aan muzikale ideeën ontbrak. Het is niet heel eenvoudig om bij hem (en vele andere grote componisten) vrolijke muziek te vinden, maar die is er wel. Zijn topjubelstuk is het Magnificat. Vergelijk dat eens met de Matthäus Passion: in de tijd dat hij het eerste stuk afsluit met het Gloria Patri, heeft hij van het tweede net de inleiding achter de rug. Kruis, lijden en dood komen pas minstens een cd later in zicht.

Cappella Gabrieli is een koor, en wie de mooiste koormuziek wil zingen kan niet heen om de treurigheid en het lijden die zo’n belangrijk fundament vormen van de christelijke kerk. Dat willen we ook zeker niet, want tranen zijn de beste stof voor muziek.

De status van het lijden (met een hoger doel uiteraard) zie je terug in de benamingen van de dag waarop en de week waarin Jezus aan het kruis sterft: Goede Vrijdag en de Goede Week. In die week voor Pasen wordt het lijden breed uitgemeten en groots gevierd. Ook in de muziek. Het was heel lang traditie in kerken en in kloosters om in de vroege ochtenden (zes uur) van de Goede Week lamentaties te zingen. Die traditie is wat in de vergetelheid geraakt, maar komt wel weer terug. Sinds 2006 worden in Naarden op Goede Vrijdag weer lamentaties gezongen, voorafgaand aan de Matthäus Passion.

De teksten ervan komen uit de Klaagliederen van Jeremia, waarin de profeet treurt over de verwoesting van Jeruzalem, in 586 voor Christus. De Babyloniërs plunderden de stad, ontheiligden de tempel en voerden een flink deel van de bevolking weg als gevangenen. De klaagliederen gelden ook als metafoor voor het verdriet over het sterven van Jezus aan het kruis. Tallis, een katholiek componist die ook protestantse (anglicaanse) vorsten diende, greep ze ook aan om de positie van katholieken in Engeland aan de kaak te stellen.

Cappella Gabrieli heeft een keuze gemaakt uit hoogtepunten van de treurmuziek in de renaissance, van componisten die in Italië , Spanje en Engeland de hoogste positie hadden bereikt die je als componist maar kunt bereiken: lamentaties van Palestrina en Tallis, en het Requiem van Victoria. Met twee buitenbeentjes als extraatje: Gesualdo, die in dezelfde tijd werkte, maar dan volledig buiten de traditie en de kerkelijke bobo’s, en Poulenc, die dezelfde tekst als Gesualdo gebruikte, maar dan in de twintigste eeuw.

Giovanni Pierluigi da Palestrina (1525?-1594)

Palestrina werd geboren in een klein stadje bij Rome, waar hij koorknaap werd en zijn muzikale opleiding kreeg. In 1551 bereikte hij het hoogste van het hoogste: hij werd maestro di cappella van de Sint-Pieter.

In de tweede helft van zijn leven bracht Palestrina het gregoriaans in overeenstemming met de tekstuele veranderingen in de officiële liturgieboeken die in het Concilie van Trente (1545-1563) waren overeengekomen. Ook werd de muziek ontdaan van de ‘barbarismen, onduidelijkheden, contradicties en overtolligheden’ die er volgens paus Gregorius XIII waren ingeslopen ‘als gevolg van de onhandigheid, achteloosheid, of misschien zelfs boosaardigheid van componisten, kopiisten en drukkers’.

Kerkmuziek moest geen individuele expressie zijn, en ook geen variatie op de liedjes die je op straat ook kon horen, maar in dienst staan van de boodschap. De tekst moest te volgen zijn, harmonieën en stemvoering moesten de aandacht niet afleiden van het hogere doel.

Palestrina schreef meer dan honderd missen, vierhonderd motetten en honderd madrigalen. En een al even onbekrompen verzameling Lamentationes. Wij zingen er een klein deel van, bestemd voor Sabbato Sancto (Stille Zaterdag). Ook de joodse letters uit de tekst die verschillende tekstfragmenten markeren (heth, teth, ghimel) zijn getoonzet, als miniaturen in een oud handschrift.

Carlo Gesualdo (1560?-1613)

Don Carlo Gesualdo di Venosa was een van de rijkste grondbezitters van Italië en hoorde bij de invloedrijkste edelen van zijn tijd. Ondanks dat gespreide bedje werd hij bekend als extremist. En niet alleen op muzikaal gebied. In 1590 betrapte Gesualdo zijn 21-jarige vrouw Maria d’Avalos met haar minnaar ‘in flagrante delicto’. Met een paar bedienden vermoordde hij het overspelige stel. Omdat dit een geval van eerwraak was, werd de edelman niet vervolgd, maar het schandaal leefde voort in gedichten en verhalen. Zijn sociale leven was voorbij.

De dader trok zich terug uit het openbare leven en wijdde zich aan het componeren: emotionele madrigalen over liefde en dood en al even expressief en somber religieus werk, vol wroeging, schuld en boete. Combineer de grillige, gekwelde, hoogstpersoonlijke muziek met de verhalen over dagelijkse geselingen en depressies, en een romantische kunstenaar is geboren. Lang voor de Romantiek.

Gesualdo publiceerde zijn responsoria (antwoordzangen) voor de goede week in 1611, twee jaar voor zijn dood. We zingen er een uit de donkere metten van Witte Donderdag, met een toepasselijke titel.

Francis Poulenc (1899-1963)

Francis Poulenc gebruikte dezelfde tekst voor zijn laatste motet voor de boetetijd (Quatre motets pour un temps de pénitence). We laten u horen hoe de bedroefde ziel driehonderd jaar later op muziek werd gezet.

De vader van Francis Jean Marcel Poulenc was directeur van de Produits Chimiques Poulenc. De jonge Francis kreeg pianoles van zijn moeder, een begaafd pianiste. Als componist was Poulenc vrijwel autodidact; zijn eerste composities publiceerde hij rond zijn achttiende. Rond 1921 kreeg hij een paar jaar compositieaanwijzingen van Charles Koechlin, maar daarvoor al gold hij als een lid van de Groupe des six, met Auric, Durey, Honegger, Milhaud en Tailleferre; de fine fleur van de Franse muziek in die dagen.

‘In Poulenc wonen twee zielen – die van een monnik en die van een kwajongen’. Dat is de beroemde uitspraak over Poulenc van de musicoloog Ilande Rostand. Anders gezegd, zijn muziek ruikt naar wierook, oliebollen en suikerspinnen.

In de late jaren derig werd zijn werk ernstiger. Daarbij speelde de samenwerking met de dichter Paul Eluard en de zanger Pierre Barnac een belangrijke rol, maar ook de dreiging van de tweede wereldoorlog en de dood van een intieme vriend door een auto-ongeluk. Tristis est anima mea dateert van 1938.

Tomás Luis de Victoria (1549-1611)

Victoria werd geboren in Avila. Hij zong als koorknaap in het plaatselijke kathedraalkoor en vertrok al op jonge leeftijd naar Rome om daar te studeren – niemand minder dan koning Filips II trad op als mecenas. Hij kreeg zijn opleiding bij de Jezuïeten op het Collegium Germanicum, waar hij later leraar en maestro di cappella werd. Daar is hij vrijwel zeker in contact zijn gekomen met Palestrina; misschien heeft hij les van hem gehad. In Rome werd Victoria gewijd tot priester.

In 1586 ging hij terug naar Spanje. Hij kwam in Madrid als persoonlijke kapelaan in dienst van de keizerin-weduwe Maria, de zuster van Filips II. Voor haar begrafenis schreef hij zijn Requiem.

Thomas Tallis (1505?-1585)

De man die later bekend zou worden als de vader van de Engelse kerkmuziek begon zijn loopbaan tijdens de regering van Hendrik VIII en zag daarna nog vier andere vorsten komen, steeds met andere ideeën hadden over religieuze politiek. Tallis kwam in 1543 in dienst bij Queen Mary, als Gentleman of the Chapel. Vanaf 1572 had hij die positie samen met zijn leerling William Byrd.

Na Mary’s korte regering kwam Koningin Elizabeth. Mary gaf hem een huis (Minster in Thanet, Kent), Elizabeth een winkel: in 1575 kreeg Tallis samen met Byrd het alleenrecht voor het drukken van muziek.

In de zestiende eeuw kreeg Europa te maken met een nieuwe versie van het christendom, het protestantisme (in verscheidene vormen, want God heeft vele binnenhuis-architecten in dienst die de kamers van zijn huis inrichten). Anders dan op het vasteland ging de religieuze revolutie in Engeland niet samen met ketterverbrandingen, beeldenstormen en ander bloedvergieten op grote schaal. Intussen was de geestelijke druk wel groot.

Tallis, die net zoals William Byrd altijd katholiek bleef, ervoer dat ook zo. Hij was kennelijk diplomaat genoeg om zich te handhaven aan de godsdienstig uiteenlopende hoven, maar in zijn Lamentations zullen zijn medekatholieken wel wat herkend hebben in de verklankte onderdrukking. Priesters weeklagen, meisjes dragen rouwkleren. Daarbij zal Tallis aan meer hebben gedacht dan aan het Jeruzalem van twee millennia eerder.

Tekst: Dick van Teylingen

Programma

Giovanni Pierluigi da Palestrina (1525-1594):
Lamentaties

Don Carlo Gesualdo da Venosa (1560-1613):
Tristis anima mea

Francis Poulenc (1899–1963):
Tristis anima mea

Tomás Luis de Victoria (1549-1611):
Missa pro Defunctis à 6 (tekst)

Thomas Tallis (1505-1585):
Lamentations of Jeremiah (tekst)